Altijd de gebeten hond
Een bankier kan het nooit goed doen in tijden van faillissement. Juist als de ondernemer meer dan ooit behoefte heeft aan krediet om zijn zaak overeind te houden, moet een bank immers voor risicobeheersing gaan. Met het beperken of intrekken van leningen en rekeningen-courant vaak als onvermijdelijk resultaat. De spreekwoordelijke paraplu terugvragen als het regent, zogezegd. Alle kritiek ten spijt blijkt de bank niet de ultieme geldgever te zijn aan bedrijven die uiteindelijk op de fles gaan. Uit een onderzoek van Robert Blom blijkt dat in deze categorie slechts een goede zesendertig procent van de ondernemers tenminste driekwart van zijn financiering betrok via een reguliere bank. Ruim dertig procent financierde primair via leveranciers en zo'n vijftien procent via particulieren. Jonge en oudere MKB-ondernemingen betrekken in respectievelijk tweeënveertig en eenenzestig procent van de gevallen de bank voor hun belangrijkste financieringsbehoeften. Toch vindt ruim zeventig procent van de gefailleerden dat zij als ondernemer teveel afhankelijk waren van derden zoals de bank. Slechts de helft van de curatoren is het met die stelling eens.
De kritische houding jegens banken is lastig voor hen. Want naast hun financiële en zakelijke verantwoordelijkheden hebben banken in de hedendaagse samenleving een nadrukkelijke maatschappelijke rol. Als bedrijven en als werkgevers behoren ze immers tot de grootste spelers in het land en hun brede aanwezigheid maakt hen vanzelfsprekende donoren van lokale goede doelen, onderwijs en wetenschap. Hun kengetallen over bedrijfssectoren bepalen deels politiek en bedrijfsbeleid. Ook als het gaat om het stimuleren van ondernemerschap heeft de gemiddelde bank een publieke functie. ABN AMRO zwengelt het debat over het maatschappelijke taboe op failliet gaan aan. Daarnaast heeft ABN AMRO het Starters Coach-Krediet opgezet, waarbij starters een lening krijgen en ook aanspraak kunnen maken op een bedrijfscoach.
De balanceringsact van de bankier is er niet makkelijker op geworden met de nieuwe internationale regulering. Zo is daar Basel II. Deze behelst regels voor de kapitaalbuffer die banken moeten aanhouden om het risico van kredietverlening aan te kunnen. Basel II kent meerdere uitgangspunten. Het eerste betreft de regels die banken bij bepaling van hun kapitaalbuffers moeten naleven. Deze sluiten nauw aan bij de risico's die op kredieten worden gelopen. Andere regels bestrijken de relatie tussen banken en toezichthouders en als laatste zijn er publicatieverplichtingen van banken. Hierdoor kunnen marktpartijen de kwaliteit van risicobeheersing bij individuele banken beoordelen en daarmee, zij het indirect, ook erop toezien en stimuleren. Het akkoord moet zorgen voor eerlijkere concurrentieverhoudingen en een betere risicobenadering.
Voor banken bepaalt de Basel II-overeenkomst voor een groot deel het nieuwe financieel beleid. Banken moeten bijvoorbeeld beschikken over historische kredietgegevens over een periode van drie jaar. Iedereen die leent krijgt een rating, die wordt bepaald aan de hand van kredietrisico, marktrisico en bedrijfsrisico. Die rating bepaalt de omvang van de buffer. Om niet nodeloos een hoge buffer te moeten aanhouden, dienen bedrijven de aan hen toegekende kredietfaciliteiten ook daadwerkelijk te gebruiken en moeten banken scherper dan ooit op de soliditeit van hun klanten letten en waarschijnlijk eerder ingrijpen als daar aanleiding toe is. Concreet: de paraplu nog eerder terugvragen. Maar er is meer kritiek, bijvoorbeeld van de Vereniging voor Credit Management. Die meent dat Basel II nog teveel wordt afgedaan als een overeenkomst tussen banken, zonder de implicaties voor het bedrijfsleven te onderkennen. De Nederlandse creditmanagement bureaus verwachten dat een groter kapitaalbeslag voor banken door eventueel hogere risicowegingen. Dat zal leiden tot hogere prijzen voor krediet. In ieder geval zullen banken nog veel meer waarde hechten aan de kwaliteit, actualiteit en inhoud van het businessplan van een onderneming en op de gedegenheid van de financiële huishouding. De uitgebreide en continue informatievoorziening die bedrijven zullen moeten geven, legt een aanvullende administratieve druk op hen.
Er lijkt geen gouden tussenweg te bestaan tussen het stimuleren van ondernemerschap vanuit een maatschappelijke positie en het rigoureus managen van risico's bij kredietnemers. Het is ook de vraag of het de taak van een bank is om populair te worden gevonden. Wel is het een uitdaging om de beperkingen en mogelijkheden duidelijk te communiceren met ondernemend Nederland. Als duidelijk is welke spelregels,welke eisen gelden en waar de grenzen liggen, zal veel frustratie en verrassing worden voorkomen.Want uiteindelijk ligt de dankbaarste taak van een bankier in het leren aan de ondernemer hoe die zijn eigen paraplu kan maken.
