Veranderende faillissementswetgeving
Er heerst brede consensus dat zakelijk onderuitgaan geen grotere belemmering mag zijn voor hernieuwing van ondernemerschap dan strikt noodzakelijk is. Dat roept vragen op over de zin van zowel de bestaande faillissementswetgeving als het concept "faillissement" zelf. In Nederland staat een herziening van de wetgeving op de rol. Andere Europese landen hebben die stap al gezet. Enkele voorbeelden: in het Verenigd Koninkrijk is persoonlijke insolventie een minder zware drempel voor doorstart geworden. De "Enterprise Act 2002" maakt het mogelijk om de macht om statutaire diskwalificaties ten gevolge van faillissementen te rectificeren of vernietigen en verkleint de opheffingsperiode voor resterende schulden. In Oostenrijk is sprake van een laag aantal preferente schuldeisers en van verenigingen die opkomen voor de rechten van crediteuren en beheer van het bedrijf, dat enkel opgegeven wordt ingeval voortzetting klaarblijkelijk nadelig zou zijn voor crediteuren. Ook in Noorwegen en Spanje zijn stappen gedaan ter verandering van de insolventiewetgeving.
In Nederland is zelfs onder gefailleerden geen meerderheid voor afschaffing van het faillissement als juridisch concept, wél voor de nodige aanpassingen op het huidige systeem. Suggesties te over. De Europese Unie zoekt het deels in preventie en vroegtijdige waarschuwing. Betere startersopleidingen, extern advies in een vroeg stadium van bedrijfsproblemen en preventie via crisismanagers zouden het aantal bedrijven dat in een surseancesituatie komt, moeten verminderen. Herstructureringsprocedures zouden eenvoudiger kunnen. Bij rechtbanken dienen wat de EU betreft, gespecialiseerde insolventisecties te komen. Liquidaties dienen sneller plaats te vinden, overigens rekening houdend met de belangen van de crediteuren. Van meer psychologische aard is het Europese voorstel om openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak waarin de debiteur 'verschoonbaar' wordt verklaard. Uit kringen van curatoren, ondernemersverenigingen en politiek komen aanvullende voorstellen. Bijvoorbeeld om de kredietverlening aan beginnende ondernemers te beperken. Pas als blijkt dat de starter levensvatbaar is, zou tot verdere financiering mogen worden overgegaan. Ook het aanpassen van de publicatieplicht voor kleine bedrijven zou preventief kunnen werken. Bijvoorbeeld door het verplicht stellen van kwartaal- of halfjaarrapportages en ook eenmansbedrijven verplichten tot het deponeren van jaarcijfers. Gedurfder en meer controversieel is het medeverantwoordelijk maken schuldeisers bij faillissementen. De gedachte hierachter is dat grote leveranciers en bijvoorbeeld leasemaatschappijen de maatschappelijke plicht hebben om de soliditeit van hun klanten terdege te toetsen. Grote bedrijven hebben hiertoe ook volop mogelijkheden, in tegenstelling tot de drukker om de hoek. Doen zij dit niet of onvoldoende, en stapelt schuld zich op schuld, dan worden andere, eerdere schuldeisers benadeeld.'Nalatige' schuldeisers zouden in deze visie bij een faillissement van de afnemer mogen worden achtergesteld ten opzichte van andere schuldeisers.
De Nederlandse faillissementwetgeving staat in toenemende mate in de belangstelling. Ondernemersverenigingen, politiek, wetenschap en financieel dienstverleners participeren in de maatschappelijke dialoog die ontstaat over ondernemerschap en bankroet.Welke conclusies voortkomen uit deze dialoog is onmogelijk te voorspellen. Dat er nieuwe definities ontstaan, is echter zeker. Het traditionele faillissement is bankroet.
