Het failliet van het bankroet
Drie miljard euro verdampt ieder jaar als direct gevolg van bedrijfsfaillissementen. Daarom komt volgens onderzoek van het ministerie van Justitie nog een bedrag tussen de zeshonderd miljoen en een miljard bij als gevolg van faillissementsfraude. Een kleine tienduizend bedrijven moet jaarlijks gedwongen de deuren sluiten, met achterlating van schulden aan leveranciers, banken en fiscus en met een evenredig banenverlies als ‘bonus´. Bijna evenveel mensen vragen jaarlijks een persoonlijke schuldsanering aan,waarbij naar schatting een kwart van deze gevallen een ondernemer met een eenmanszaak betreft. Schattingen over het aan faillissementen gerelateerde banenverlies lopen uiteen van zeventigduizend tot ruim honderdduizend per jaar. Als we ook de gezinsleden van de failliete ondernemers in ogenschouw nemen, dan zijn er jaarlijks bijna tweehonderdduizend mensen direct betrokken bij de financiële en persoonlijke gevolgen van een zakelijk faillissement.
De faillissementschade per hoofd van de bevolking is even groot als het bedrag dat iedere Nederlander jaarlijks afdraagt aan de Europese Unie (zo´n 180 euro). Over de EU-afdracht vindt jaarlijks een rituele politieke dans plaats: we willen ‘m immers allemaal een stuk lager. Maar faillissementen lijken een taboe; slechts besproken door vaklieden, genegeerd door de politiek en bedrijfsleven en al helemaal een verboden onderwerp in het maatschappelijk debat. Wie ´t overkomt zwijgt er liever over en wie het in zijn of haar omgeving ziet gebeuren durft het meestal evenmin ter sprake te brengen. Dat geldt zeker als het ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf betreft waar de directeur-eigenaar in persoon het gezicht van het zakelijk falen is. Het faillissement van Fokker, DAF en RDM zijn maatschappelijke problemen maar de spreekwoordelijke bakker-om-de-hoek die failleert, is een persoonlijk drama.
